Vanmiddag ben ik in Amsterdam
Vierhonderd jaar geleden behoorden Antwerpen en Amsterdam, twee steden die maar honderdvijftig kilometer van elkaar af liggen, samen met Venetië tot de belangrijkste handelscentra in de wereld. Antwerpen en Amsterdam waren twee communicerende vaten aan zee, en door de afsluiting van de Schelde door de Spanjaarden, kon de haven van Amsterdam tot grote bloei komen. Antwerpen zou na 1585 nooit meer haar oude positie heroveren. Sindsdien is de zestiende eeuw de Gouden Eeuw van Antwerpen gebleven. De positie van de stad was toen vergelijkbaar met die van New York of Shanghai in onze tijd.
Na 1585 verrokken veel Vlaamse en Brabantse schilders naar de noordelijke Nederlanden, nu het daar economisch voor de wind ging. Frans Hals is misschien wel de beroemdste schilder die in Antwerpen geboren werd en die naar Holland verhuisde. Kort na zijn geboorte vertrokken zijn ouders naar Haarlem, waar hij zijn hele leven zou blijven wonen en werken. Toch bleef Antwerpen na 1585 als kunstcentrum een rol van betekenis spelen. Dat is vooral te danken aan een superster uit die tijd: Pieter Pauwel Rubens.
Zoals Amsterdam de stad van Rembrandt is, zo is Antwerpen de stad van Rubens. De levensgrote verschillen tussen Rubens (1577-1640) en Rembrandt (1606-1669) weerspiegelen ook de verschillen tussen Amsterdam en Antwerpen en tussen de zuidelijke en de noordelijke Nederlanden. Er is een geheimzinnige wisselwerking tussen de cultuur en de volksaard, tussen geschiedenis en identiteit. Was Rubens anders dan Rembrandt omdat hij uit Antwerpen kwam, of zijn Antwerpenaren anders dan Amsterdammers omdat ze erfgenamen zijn van Rubens en de Antwerpse cultuur. Op de Antwerpse identiteitskaart mag de kop van Rubens eigenlijk niet ontbreken, hij is immers de Grote Antwerpenaar en is op een of andere manier bepalend voor elke jongen of meisje dat in de Scheldestad geboren wordt.
Als schilder was Rubens veel meer een Italiaan dan Rembrandt. Hij verbleef ook jaren in Italië terwijl Rembrandt helemaal geen behoefte had om naar het verre Italië te reizen. Aanvankelijk oriënteerde hij zich ook op de Italiaanse schilderkunst onder invloed van zijn leermeester Pieter Lastman. Maar behalve het licht-donkercontrast en het realisme van Caravaggio nam hij de geest van de Italiaanse kunst niet zo over. Bij Rembrandt vinden we dus geen imposante altaarstukken van zes meter de hoogte in geschilderd in stralende Venetiaanse kleuren, theatrale gebaren en zwermen putti.

Rembrandt kruisafname, ca. 1632
Wanneer Rembrandt in 1630 een grote opdracht krijgt van Frederik Hendrik om een kruisafname te schilderen, is dat tegelijkertijd een uitdaging om zich spiegelen aan de superstar uit Antwerpen, dus om de stadhouder van de Republiek eens een poepje te laten ruiken. Rembrandt neemt de compositie van zijn grote voorbeeld Rubens over maar maakt er toch een heel eigen voorstelling van. Gisteren zag ik in de Lieve Vrouwe Kathedraal in Antwerpen voor het eerst van mijn leven de wereldberoemde kruisoprichting en kruisafname van Rubens, geschilderd tussen 1610 en 1614, dus zo´n vierhonderd jaar geleden. Ik heb er gemengde gevoelens bij. Aan de ene kant is het met een verbluffende virtuositeit geschilderd. Rubens was niet voor niets de grootste schilder van zijn tijd. Maar aan de andere kant is het Venetiaans spierballenwerk. Een werk ván een rijke vóór de rijken. Het mist het gewone en natuurlijke dat Rembrandt heeft weten te bewaren.
Hoewel Rubens de barok introduceert, staat hij nog duidelijk in het maniërisme en dat betekent: in het onvermijdelijke verwrongen bloot. Waarschijnlijk komt mijn voorkeur voor Rembrandt door mijn verbondenheid met de nuchtere Hollandse cultuur. De uitbundige Venetiaanse cultuur die Rubens zo hartstochtelijk geadopteerd had, staat verder van mij af. Terwijl Rubens de Moeder Gods schildert als een schatrijke Venetiaanse courtisane, lijkt ze bij Rembrandt meer op een boerenmeid, zoals Karl Marx als opmerkte. Het is maar waar je de voorkeur aan geeft.



Ik dacht dat ik mijn stromingen kende, maar van het vorticisme had ik nog nooit gehoord. Je kunt het ergens plaatsen tussen kubisme, expressionisme en futurisme, in de jaren vlak voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Om te kunnen oordelen of een kunstwerk nu kubistisch, expressionistisch, futuristisch of vortistisch is, daarvoor heb je fingerspitzengefuhl nodig. De stroming dankt haar naam aan de dichter Ezra Pound die de term in 1913 voor het eerst gebruikte.
Percy Wyndham Lewis werd geboren aan boord van het jacht van zijn ouders, voor de kust van Nova Scotia. Zijn vader was Amerikaans, zijn moeder Britse. Hij bezocht de Rugby School en later de Slade School of Fine Art in London, maar werd van beide opleidingen verwijderd. In 1912 reisde hij naar Europa en studeerde een tijdlang kunst te Parijs, waar hij vriendschap sloot met Ezra Pound. Uit deze vriendschap kwam in 1914 Blast voort, het tijdschrift voor Vorticisme. Vorticisme werd geïnspireerd door het kubisme, het futurisme (…) en kenmerkte zich met name in de schilderkunst door scherpe contouren en contrasterende kleuren. In de schrijfkunst verdedigde Lewis de ‘externe stijl’, een heldere, objectieve en vooral visuele verteltechniek, met vaak mechanische personages. Lewis zette zich fel af tegen het subjectieve van bijvoorbeeld D.H. Lawrence en tegen modernistische schrijvers als James Joyce en Gertrude Stein, mede vanuit een negativistische houding ten opzichte van seks en wantrouwen tegen het onderbewuste. Hij was een bewonderaar van Friedrich Nietzsche en Henri Bergson (die hij later overigens ook weer bekritiseerde).
De grote ontdekking in het boek British Vision Observatie en verbeelding in de Britse kunst is voor mij
Richard Wilson (1714-1782) was de zoon van een predikant uit Penegoes, Montgomeryshire. In 1729 ging hij naar Londen waar hij begon als portretschilder. Tussen 1750-1757 was tijdens zijn grand tour in Italië waar hij zich ging toeleggen op het landschap. Terug in Engeland was hij de eerste grote Britse schilder die zich volledig aan het landschap had toegewijd. Zijn stijl stond onder invloed van Claude Lorrain en de 17e eeuwse Nederlandse landschapsschilderkunst.
Kan er uit Nazareth iets goeds komen? Wat mag je verwachten van een bekrompen plaatsje in de provincie? Maar de geest waait overal. Dus ook in Veenendaal. 

De western Shane werd in 1953 voor zes oscars genomineerd. Regisseur George Stevens greep zelf tweemaal naast. De oscars voor de beste film en beste regisseur gingen dat jaar naar Buddy Adler en Fred Zinnemann voor From here to eternity. Shane verzilverde wél de oscar voor de beste cinematografie van Loyal Griggs. Het onderwerp en het verhaal doen mij aan twee latere westerns denken. Clint Eastwood speelde in 1985 al in een remake van Shane (Pale Rider) voordat hij zeven jaar later 
Volgende maand hopen we München te bezoeken. Als liefhebbers van de Jugendstil, zitten we in München goed. Jugend, het tijdschrift waar de Jugendstil ( of Art Nouveau, Nieuwe Kunst en Secession) haar naam aan te danken heeft, verscheen voor het eerst in 1896 in München. Rond de schilder 
Toen ik negen jaar was, kreeg mijn grote broer een abonnement op het legendarische stripweekblad PEP en werd de Donald Duck voor mij alleen. Toch vond ik de PEP veel spannender om te lezen. Zo’n veertig jaar geleden tekende de crème de la crème van de Nederlandse (strip)tekenaars voor PEP: Hans G.Kresse (1921-1992), Peter van Straten (1935), Daan Jippes (1945), Fred Julsing (1942-2005), Dick Matena (1943), Martin Lodewijk (1939) en Peter de Smet (1944-2003). Wie hier ook niet vergeten mag worden, is Willy Lohmann (1936).
Deze legendarische Duitse film van 



